Vernietigingskamp Sobibór: ‘Alles stond in teken van de vernietiging’

Ik heb lang naar een leeg Word-document gekeken. Beelden, woorden en geluiden flitsen voorbij, maar ik merk dat ik het lastig vind om al deze indrukken op papier te zetten. Het is een heldere, zonnige zondagochtend en behoorlijk warm voor het najaar. Ik zit achter mijn bureau en probeer rustig na te denken over wat ik gezien, gehoord en gevoeld heb. Ik ben net terug van mijn reis naar de plek waar tot eind 1943 het vernietigingskamp Sobibór bestond. Op deze plek werden mensen aan de lopende band op een anonieme wijze vermoord.

Het kamp lag in het uiterste oosten in het door Duitsland bezette Polen. Schuin tegenover het lokale stationnetje van het dorp Sobibór dat lag in een bosrijk en moerassig gebied. Dit vergemakkelijkte ‘het verbergen van de misdaden’. Het dorp zelf lag op ongeveer zes kilometer afstand van het kamp. 

Voor mij kreeg de plek een betekenis na mijn gesprek met archeoloog Ivar Schute. Ik had ooit wel wat over Sobibór gehoord tijdens een geschiedenisles, maar van wat zich daar werkelijk had afgespeeld had ik geen idee. Van het vernietigingskamp Sobibór is weinig tot niets bovengronds bewaard gebleven. Dat komt doordat de SS’ers eind oktober/begin november 1943 zorgvuldig alle sporen van deze moordfabriek hebben uitgewist, na een opstand onder de gevangenen. Er was niets meer te ‘zien’ van wat zich daar had afgespeeld. Dat was heel anders dan bij Auschwitz. Daar zagen de bevrijders onmiddellijk wat voor gruwelijkheden zich daar hadden afgespeeld.

In 2014 (bijna 70 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog) hebben archeologen de gruwelijke geschiedenis van dit kamp blootgelegd. “Sobibór is een plek zonder zichtbare bovengrondse overblijfselen. Het laat veel aan de verbeelding over”, schreef Schute in zijn boek ‘In de schaduw van een Nachtvlinder’ waarin hij vertelt over het archeologisch onderzoek naar het vernietigingskamp Sobibór. Hij is één van de archeologen die de sporen van het kamp boven de grond hebben gehaald, want door de archeologische vondsten werd het wel zichtbaar wat zich allemaal in Sobibór heeft afgespeeld.

Zo hebben de archeologen de fundamenten van vier gaskamers gevonden. Een andere belangrijke vondst was een met zand bedekte kuil in het bos, op een paar honderd meter van de fundamenten van de gaskamers vandaan. Hier lagen de stenen die de muren vormden van de gaskamers. Ook het pad van een paar honderd meter, de zogeheten ‘Himmelfahrtstrasse’, is teruggevonden. Dit pad had aan beide kanten hekken van prikkeldraad doorweven met groene naaldtakken om ontsnappingen onmogelijk te maken. Naakte gevangenen liepen over dit pad naar de gaskamers, terwijl ze opgejaagd werden door Oekraïense bewakers. Een van die Oekraïense bewakers die in Sobibór werkte was John Demjanjuk. Hij werd in 2011 door de rechtbank tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld, wegens de medeplichtigheid aan moord op 28.000 mensen in het vernietigingskamp Sobibor. Demjanjuk ging in hoger beroep, omdat hij naar eigen zeggen onschuldig was. Demjanjuk overleed op 91-jarige leeftijd in 2012 in afwachting van zijn hoger beroep. 

Het is donderdag 13 oktober als ik met een raar en onbestemd gevoel wakker word in een hotel in de Poolse plaats Lublin. Vanuit mijn hotelkamer zie ik de lantaarnpaal die altijd brandt. Dat is vanwege de herinnering aan de Joden die destijds in Lublin woonden. In 1939 woonden er rond 43.000 Joden in Lublin. De nazi’s richtten in 1941 een Joodse getto op in Lublin. Van daaruit werden de Joden naar de spoorlijn bij het slachthuis gebracht om vervolgens gedeporteerd te worden naar de vernietigingskampen. Na de oorlog keerden minder dan driehonderd Joden terug naar Lublin. In de culturele instelling Grodzka Gate – NN Theatre is een groot onderzoeksproject te zien over de Joden in Lublin. Je vindt in elke kamer onvoorstelbaar veel dossiers. Ze proberen om van elke Joods persoon die in Lublin heeft gewoond informatie te achterhalen. Het ene dossier bevat erg veel informatie, terwijl het andere dossier nog niet eens een naam of een foto bevat. “We can’t bring back the people and the places, but we can bring back the information”, aldus de gids die ons rondleidde.  

Ik draai mijn blik weg van de lantaarn en loop uit mijn hotelkamer naar beneden. Daar tref ik de mensen aan met wie ik naar de verschrikkelijke plek rijd waar het vernietigingskamp Sobibór lag. Stichting Sobibor is in 1999 opgericht door Jules Schelvis, de enige overlevende van het 14e transport naar het vernietigingskamp Sobibór. De stichting heeft als doel dat de herinnering aan dit vernietigingskamp blijft bestaan. “Herinneren door informatie en educatie.” Ze organiseren jaarlijks verschillende soorten reizen naar Polen. Ik ben samen met negentien anderen mee op de herdenkingsreis. Achter deze mensen schuilt een bijzonder, indrukwekkend en emotioneel verhaal. 

Zo ontmoet ik mevrouw Kats, een oud-bestuurslid van Stichting Sobibor. “Zeg maar je hoor, anders voel ik me zo oud.” Rozette Kats is in de oorlog geboren. Ze was nog geen negen maanden oud toen haar ouders Emanuel Louis en Henderina Kats-Eliasar haar lieten onderduiken. Niet lang daarna werden haar ouders opgepakt en naar Westerbork gebracht. In dit doorgangskamp werd haar broertje Robert geboren. Dit weerhield de nazi’s er niet van om het jonge gezin op transport te zetten naar Auschwitz. Daar werden ze vermoord. Haar broertje was bijna drie maanden oud. Andere familieleden van haar, zoals haar grootvader Samuel Kats (62 jaar), grootvader Leon Elias Eliasar, grootmoeder Rahel Eliasar-Levin en drie van hun zes kinderen, Gustaaf, Betty en Albert zijn vermoord in Sobibór. 

Het gezin waar Rozette Kats ondergedoken zat, was een arbeidersgezin. Haar pleegvader werkte als inkoper bij een voor de nazi’s belangrijke motorenfabriek. Doordat een verzetsactie van hem tegen de bezetter in de fabriek aan een enkeling bekend was en het feit dat hij en zijn vrouw tweemaal achtereen hun pasgeboren baby waren verloren, werd hem gevraagd of hij misschien een Joods kindje wilde opnemen. Hij en zijn vrouw stemde toe, al wisten ze erg weinig van het kindje. “Mijn pleegmoeder wist zelfs mijn naam niet om te voorkomen dat ze mijn familie zou kunnen verraden.” Toen Kats bijna zes jaar werd, vertelde haar pleegvader dat ze niet hun echte dochter was. Maar dat haar ouders Joods waren en dat ze overleden zijn, omdat ze Joods waren. Meer vertelde haar pleegvader niet en hij wilde het er ook niet meer over hebben. “Ik was bang om weggestuurd te worden, daarom deed ik heel lief, braaf en luisterde ik erg goed.”

Kats stopte veel weg, maar zat wel met vragen. Toen ze op haar twaalfde op vakantie was bij haar oom (de enige overlevende broer van haar echte moeder), probeerde ze vragen te stellen over haar moeder. Maar haar oom gaf geen antwoord. Dat kon hij niet. Ze probeerde het een aantal jaren, maar het leverde niets op. “Ik stopte mijn angst weg in een denkbeeldige grote emmer in mijn buik.” Toen haar oom in 1984 ernstig ziek werd, besloot ze om nog één keer de vraag te stellen. Haar oom gaf opnieuw geen antwoord, maar hij liep naar een kast en haalde daar een leren tas met een slot uit. De tas zat vol papieren en een fotoalbum. “Mijn oom knipte de trouwfoto uit het boek en gaf die aan mij.” Toen borg hij de tas weer op.

Pas jaren later durfde Kats aan de vrouw van haar overleden oom te vragen naar de tas. Haar tante was inmiddels verhuisd en had de tas niet meegenomen. “Dat was voor mij de druppel die de emmer in mijn buik deed overlopen.” Kats zocht hulp en ging in therapie. “Ik ging toen pas ontdekken wie ik was en wat mijn grenzen waren. Ik was tot dan eigenlijk altijd ongelukkig, maar niemand had het door.” Ze kon vanaf toen zich ook meer en meer verdiepen in haar achtergrond, haar Joodse wortels. Kats sloot zich aan bij verschillende organisaties op het gebied van de Holocaust en bezocht meerdere concentratiekampen. Pas in 1994, kreeg zij te horen waar de tas terecht was gekomen. Een van de zonen van haar oom en tante had de tas meegenomen, maar hij heeft hem nooit durven open te maken. Dat hebben ze uiteindelijk samengedaan. Ze zag voor het eerst foto’s van haar familie en allerlei documenten die iets over haar familie en dus over haar eigen verleden vertelden. 

De blik van Kats rust op haar horloge. Het is een oud horloge en de tijd staat stil. “Ik heb dit horloge altijd om als ik zulke reizen maak of als ik in het openbaar over ze spreek. Dan draag ik dit horloge samen met dit kettinkje.” Aan het kettinkje zit een gouden ster. Deze kostbare bezittingen heeft haar moeder aan haar broer meegegeven voordat hij ontsnapte uit kamp Westerbork. Op Kats’ 18e verjaardag kreeg ze van haar pleegmoeder het horloge en twee gouden trouwringen (die ze heeft laten omsmelten tot een ster). Het raakt mij als Kats zachtjes over haar horloge wrijft. Ze heeft haar ouders, haar broertje en haar andere familieleden nooit echt gekend. Door puzzelstukjes bij elkaar te leggen is ze uiteindelijk achter haar wortels gekomen. 

Landschappen flitsen voorbij als we met de bus steeds verder richting de grens van Polen en Oekraïne rijden. Achter mij zit Jan-Peter, een gepensioneerde tandarts. Hij wilde al lang deze reis naar Sobibór maken. Als we op die plek zijn, gaat hij tijdens de herdenking de namen lezen van zijn tante, neef en oom. Zij zijn vermoord in Sobibór. Wanneer hij hierover vertelt, zie ik hem emotioneel worden. Hij slaat zijn handen voor zijn ogen en verontschuldigt zich. “Sorry, het raakt mij. “Mijn grootvader was Joods en niet mijn grootmoeder, maar in mijn hart ben ik Joods.”

Hoe dichterbij we komen, hoe stiller het wordt. De ruime landschappen veranderen in bossen. De bomen gaan steeds dichter op elkaar staan. Weer een verschrikkelijk plek die verscholen wordt door bomen, denk ik. We rijden uiteindelijk een paar kilometer op een klein landweggetje. “Je kunt alleen naar Sobibór toe in stilte en verstild. Het ligt verscholen in de bossen. Er werd daar in het wilde weg gedood. Angst. Dit is de weg daarnaartoe. We gaan er heen met z’n allen”, zegt Christine, de voorzitter van Stichting Sobibor. 

Twintig mensen stappen in stilte uit de bus. Sommigen kijken nog even naar hun papiertje waarop de namen staan van hun dierbaren die vermoord zijn in Sobibór of in andere kampen. Recht voor ons zien we het museum en herdenkingscentrum Sobibór. Dit gebouw kwam tot stand op initiatief van Polen, Israël, Nederland en Slowakije. Met als doel dat we blijven weten en herdenken wat hier gebeurd is. In 2020 opende het museum/herdenkingscentrum zijn deuren. Hiervoor wezen alleen de spoorlijn, de woning van de kampcommandanten en vanaf 1965 een herdenkingsmonument erop dat in dit landschap een vernietigingskamp was. De tekst op het herdenkingsmonument gaf alleen weinig informatie over het kamp en identiteit van de slachtoffers. Als je er niet iets vanaf wist, lag de plek (weer) verscholen tussen de bossen. 

Met zijn lange jas loopt Loek van Mourik vooruit. Hij is samen met Hanneke mee op deze reis. “Feitelijk kennen we elkaar al 68 jaar, maar we verloren elkaar uit het oog na onze schooltijd. Hanneke bleef zijn naam onthouden en begon hem op een gegeven moment te zoeken. “Eerst via Google waar ik meerdere resultaten uit kreeg. Via de synagoge kreeg ik de tip om met Kamp Vught contact op te nemen. Uiteindelijk ben ik via Kamp Vught in contact gekomen met Loek. Dat was 4 à 5 jaar geleden. We hadden elkaar toen 65 jaar niet gezien”, aldus Hanneke. Nu zijn ze samen voor de tweede keer in Sobibór. 

De familie van Loek is waarschijnlijk vermoord op deze plek. “Ik weet nog steeds niet helemaal zeker wie ik ben. Ja, wie ben ik eigenlijk?” Waarschijnlijk komt veel voor in mijn verhaal.” Ik kijk hem heel vragend aan en vraag hem om meer uitleg. Uit zijn tas haalt hij een mapje met foto’s, krantenartikelen en een geboorteaktes. “Ik ben waarschijnlijk geboren in 1941-1942 met de naam Jacob Levie de Vries. Maar iedereen noemde mij Loekie, Loek. Zo heet ik nog. Deze geboorteakte laat zien dat ik in 1944 geboren ben, maar dat kan niet.”

Waarschijnlijk is Lena Reiss de moeder van Loek. “Maar dat is ook niet helemaal 100 procent zeker. Dat is ook niet meer te controleren, want er bestaat niemand meer met hetzelfde DNA als ik.” Wie de vader van Loek is, is ook niet duidelijk. “Er zijn twee opties, maar dat kunnen we ook niet meer controleren.”

Loek stond in 1943 waarschijnlijk met zijn moeder Lena en zusjes in de rij op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam om weggevoerd te worden. Dat 14-jarige meisje, een kennis van de familie, pakte Loek en verstopte hem onder haar mantel en rende de rij uit. “Dankzij haar sta ik hier.” Een aantal weken is Loek bij dat meisje gebleven. Ze bracht hem daarna terug naar crèche bij de Hollandse Schouwburg waar eerder zijn zusjes en zijn moeder ook waren geweest. “Maar die waren al weg, toen ik weer terugkwam.” Zij waren naar Kamp Vught gedeporteerd. Van daaruit werden ze op transport gezet. “Dat was het zogenaamde kindertransport op 6 en 7 juni 1943. De trein ging van Vught via doorgangskamp Westerbork naar het vernietigingskamp Sobibór. De reis duurde vier lange dagen in een veewagon met wat stro op de grond. “Er was nauwelijks ruimte om te zitten, liggen of zelfs te staan.” Bijna 1300 kinderen zaten in die veewagons, de meeste vergezeld door hun moeders. Als ze aankomen in het vernietigingskamp Sobibór worden ze vrijwel direct om het leven gebracht door vergassing. Ook de moeder en de twee zusjes van Loek. 

De destijds 1,5 jaar oude Loek is uiteindelijk uit de crèche gesmokkeld. Hij is in een rugzakje of koffertje over de heg naast de crèche meegegeven. Hij kwam uiteindelijk in Zaltbommel terecht in een pleeggezin. “In mijn verhaal zeg ik veel het woord waarschijnlijk, omdat ik niet met 100 procent zekerheid kan zeggen wie ik echt ben.” 

Tegenover het museum ligt een spoorlijn. In de zomermaanden reden er nog treinen over de rails die er liggen. Archeologen willen aan het einde van het perron nog archeologisch onderzoek doen. Het is de enige plek waar dat nog niet is gedaan. Het originele treinbord met de naam Sobibór hangt in het museum. Een nieuwer bord is ervoor teruggeplaatst. Ik maak wat foto’s en dan hoor ik mevrouw Kats zachtjes tegen mijn fluisteren: “Hier hebben ze niet gelopen.” Voordat ik haar kan vragen wat ze bedoelt, begint Christine, voorzitter van Stichting Sobibor te vertellen over hoe het vernietigingskamp Sobibór is ontstaan.

Vernietigingskamp Sobibór was samen met Belzec en Treblinka onderdeel van ‘Operatie Reinhard’ (Aktion Reinhardt). Het antwoord van de nazi’s op de ‘Endlösung voor het Jodenvraagstuk’. In maart 1942 begonnen de Duitsers met de bouw van het vernietigingskamp. Poolse arbeiders uit de omgeving begonnen met de bouw, maar de werkzaamheden gingen volgens de nazi’s niet snel genoeg. Daarom werden er 80 Joden uit nabijgelegen getto’s gehaald om mee te bouwen. Na afloop van de werkzaamheden werden de Joden doodgeschoten. 

Een deel van het station van Sobibór werd toegevoegd aan het kampterrein en werd uitgebreid. De capaciteit van dit deel was onvoldoende om de binnenkomende transporten te verwerken. Vanaf het hoofdspoor werd een aftakking gemaakt die tot binnen het kamp doorliep. Eind april was het vernietigingskamp af en werd het in gebruik genomen. 

“Het kamp zag er meer uit als een vakantiepark’, aldus Christine. Er waren huisjes met gordijnen en bloemenperken. Foto’s die gemaakt zijn door plaatsvervangend kampcommandant Johann Niemann laten dit ook zien. Zijn foto’s in een familiealbum werden pas in 2020 openbaar gemaakt. Deze foto’s vormen een belangrijk bewijs voor het bestaan van Sobibór. Ook al zie je de gruwelijkheden op de foto’s niet. “Terwijl er op paar honderd meter verderop mensen vermoord werden, achterelkaar”, zegt Christine. Haar grootvader werd vermoord in dit vernietigingskamp. Dat het kamp er rustiek uit zag, was onderdeel van de misleiding. “Niemand wist wat je kon verwachten”, schreef Jules Schelvis later over Sobibór.

Het kamp bestond uit 4 delen: Vorlager, Lager I, Lager II en Lager III. Het Vorlager was voor de Duitsers en de Trawniki’s (bewakers die uit Oost-Europa gerekruteerd waren). Het diende hoofdzakelijk als woon- en verblijfplaats. Zo stonden er idyllische witte huisjes, was er een wasserij, een kapper, een kegelbaan, een casino en er werden in dit gedeelte gasten ontvangen. Ook de groene woning van de kampcommandant(en) stond hier. De woning is het enige gebouw dat is overgebleven van het vernietigingskamp. Sinds 1955 woont de familie Ziemiński in dit huis. Ze weten dat het huis waarin ze wonen een grimmig verleden heeft. In de tuin bij het huis vinden ze ook spullen, zoals een gebroken trouwring of munten uit Nederland   In een interview tegen het Parool (2021) zei de bewoner Jerzy Ziemiński het volgende over de vondsten in zijn tuin: “Waar komt het vandaan? Is het de lucht gevallen? Vraag het maar aan Mazurek. Hij is diegene die de geschiedenis wil reconstrueren?” Mazurek is de Poolse archeoloog onder wiens leiding de opgraving van Sobibor plaatsvond. 

Het Vorlager had ook nog een andere functie, namelijk indruk maken op de gevangenen. Dit was namelijk het eerste wat ze te zien kregen en dat moest er niet op wijzen dat mensen hier aan de lopende band werden vermoord.

In Lager I stonden de woonbarakken voor de Joodse gevangenen die in het kamp moesten werken. Hier vind je ook diverse werkplaatsen. Zoals een schoenmakerij en een meubelmakerij. Lager II was groter dan I. Het bevatte de noodzakelijke diensten voor de dagelijkse gang van zaken. De Duitsers hergebruikten de vooroorlogse gebouwen. Zo werd het boswachtershuis voor administratieve doelen gebruikt. Hier kwamen ook de transporten en werden de eigendommen afgenomen en bewaard. De gevangenen moesten zich hier omkleden in schuren.

Vanaf Lager II liep een smal slingerend zanderig pad naar lager III. Het pad was omgeven met houten wanden met prikkeldraad. Via dit pad moesten gevangenen naakt lopen naar de gaskamers. Dit pad stond bekend als de Himmelfahrtstrasse. Lager III was van alle kanten omgegeven door hekken van prikkeldraad doorweven met groene naaldtakken. Wat daar gebeurde, mocht niemand zien. Het moest verbogen blijven. In Lager III stonden de gaskamers en waren de massagraven. Gevangenen die tijdens het transport in de trein waren gestorven of te zwak waren om te lopen werden via een treinspoor naar dit gedeelte van het kamp vervoerd, zodat ze gelijk in de gaskamers kwamen. 

Sobibór had eerst drie gaskamers. Per gaskamers konden 150 tot 200 mensen worden vergast. Door de vele transporten naar het vernietigingskamp bleken de drie gaskamers niet ‘voldoende’ te zijn. Er werden tussen juni en oktober 1942 drie gaskamers bij gebouwd. 

In minder dan anderhalf jaar (mei 1942- oktober 1943) werden in Sobibór circa 180.000 Joden vermoord. Het precieze aantal slachtoffers is lastig te zeggen, vanwege de gebrekkige vastlegging door de daders. De slachtoffers kwamen uit Polen, Nederland, Wit-Rusland, Oekraïne, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië en Slowakije. In Sobibór stierven in vergelijking met Belzec en Treblinka de meeste niet-Poolse Joden in de gaskamers.
34.313 Nederlanders zijn op transport gesteld naar Sobibór. Dit blijkt onder andere uit de bewaard gebleven transportlijsten van Westerbork en is in 1947 vastgesteld door het Rode Kruis Ruim 33.000 mensen werden op de dag van aankomst in het vernietigingskamp vermoord. Van 34.313 mensen hebben slechts 18 de oorlog overleefd. 

Sobibór heeft twee kampcommandanten gehad. De eerste commandant van Sobibór was Franz Stangl. Hij had tussen november 1940 tot februari 1942 gediend in de euthanasiecentra Hartheim en Bernbug. Ook wel aangeduid als Aktion T4. Mensen met een handicap, een psychische stoornis, zieken en ouderen werden hier meedogenloos vergast, uitgehongerd of met een dodelijke injectie om het leven gebracht. Rond april 1942 werd Stangl gedetacheerd naar Sobibór. Waar hij doorging met het proces van vernietigen. In augustus 1942 werd hij kampcommandant van Treblinka en volgde Franz Reichleitner hem op als kampcommandant in Sobibór. 

De hemel is strakblauw als ik voor het eerst de massagraven van het vernietigingskamp Sobibór zie. Sinds 2017 zijn de graven bedekt door een laag witte stenen. Dit is gedaan zodat mensen en dieren de graven niet kunnen verstoren. Toen de stenen er nog niet lagen zag je botsplinters uit de grond steken. Het zijn oneindig veel witte stenen die zich langzaam ophopen tot een heuvel, de asheuvel. Minstens 180.000 mensen zijn hier vermoord. Het is gewoon niet te bevatten en ik merk dat er een koude rilling over mijn rug gaat. In mijn ogen voel ik tranen opkomen. 

De stilte bij de asheuvel wordt verbroken door namen die hardop worden gezegd. Namen van mensen die vermoord zijn door het vernietigingsproces van de nazi’s. Gelukkig worden de namen hardop gezegd, want het zijn mensen en geen nummers. 

De 89-jarige Richard Oostwal noemt de naam van Salomon Slagter. Zijn buurjongetje op de Tweede Oosterparkstraat in Amsterdam. “Voor mij was het Robbie. Hij was 4 maanden ouder dan ik.” Hij woonde samen met zijn moeder, vader en twee zusjes. Richard ging samen met Robbie naar school, ze speelden samen en hadden veel plezier met elkaar. Maar op een dag komt Robbie Richard niet ophalen. “Mijn moeder zei dat ik maar alleen moest gaan. Ze geeft geen antwoord op waarom Robbie er niet is. Ik vond het moeilijk dat Robbie geen afscheid had genomen.” En zo verdween het buurjongetje uit het leven van Richard. Hij komt er later achter waarom hij alleen de naam Robbie kende. “Zijn ouders wilden niet de aandacht vestigen op de Joodse afkomst van hem. Het mocht echter niet baten.”

Samen met zijn ouders en zijn twee zusjes, wordt Salomon Slagter gedeporteerd naar Westerbork. Op 18 mei 1943 wordt hij samen met zijn zusjes Jeanette en Elisabeth en zijn moeder Martha in de trein gezet met als eindbestemming Sobibór. Daar wordt hij met zijn familie op 21 mei 1943 vermoord. Salomon is maar tien jaar oud geworden. Zijn vader Andries wordt vermoord in februari 1943 in Auschwitz-Monowitz.

Nu liggen er sinds december 2021 vijf stolpersteine in de Tweede Oosterparkstraat in Amsterdam voor Salomon en zijn familie. Richard was bij het leggen van de stenen en vertelde kinderen uit groep 7 het verhaal van zijn vriendje Robbie. “Hij mag niet vergeten worden.”

Een dag later, 14 oktober 2022, ben ik weer terug in Sobibór. De lucht is grijs en grauw en het begint langzaam te miezeren. We staan met ongeveer 60 mensen bij de asheuvel. Er vindt een herdenking plaatst, omdat 79 jaar geleden, op 14 oktober 1943, een opstand uitbrak in het vernietigingskamp Sobibór. 

De gevangenen vernamen in de zomer 1943 dat het aantal binnenkomende deportatietreinen flink verminderde. De sluiting van dit dodenkamp werd steeds waarschijnlijker en dat betekende niet veel goeds. Uit een brief van Johann Niemann (plaatsvervangend kampcommandant) aan zijn vrouw blijkt dat de sluiting van het kamp waarschijnlijk in het voorjaar gepland stond. Niemann zou overgeplaatst worden naar Italië. 

In een kleine kring dachten Joodse gevangenen in Lager I na over een gewapende opstand. Leon Feldhendler, zoon van een rabbijn nam de leiding. Maar het bleef bij praten. Totdat Aleksandr ‘Sasha’ Pechersky, een Joodse Sovjet-luitenant, aankwam met één van de laatste transporten. Feldhendler vroeg aan hem of hij wilde meedenken. Pechersky ontwierp in korte tijd een plan. De opstand moest plaatsvinden op 14 oktober, want op die dag was de kampcommandant Franz Reichleitner op verlof. Johann Niemann zou dan de leiding hebben over het kamp. Hij werd als één van de eerste gedood, daarna doodden de gevangenen in verschillende werkplaatsen nog elf SS’ers en acht Oekraïense bewakers met bijlen en messen. De gevangenen probeerden te vluchten. Er ontstond een onoverzichtelijke situatie. Zo begonnen de bewakers te schieten en durfden niet iedereen te vluchten. Ongeveer 300 mensen wisten uiteindelijk uit het kamp te ontsnappen. Een aantal van hen kwam echter al snel om het leven door de mijnenvelden rond het kamp. Ongeveer zestig van hen haalden het einde van de Tweede Wereldoorlog, onder wie de Nederlandse Selma Wijnberg.

De overlevenden van kamp Sobibór kwamen uit Lager I of Lager II. Voor zover bekend, zijn er geen overlevenden uit Lager III. Wel zijn er in 2013 sporen van een ondergrondse tunnel gevonden. Die tunnel was mogelijk gegraven door gevangenen van het Sonderkommando in Sobibór om te ontsnappen. Het Sonderkommando bestond uit Joodse gevangenen die onder dwang lichamen uit de gaskamers moesten halen om ze vervolgens in ovens of verbrandingskuilen te verbranden. 

Waarschijnlijk is de tunnel voortijdig ontdekt door de nazi’s, waardoor er geen ontsnapping plaats heeft kunnen vinden. Alle gevangenen die in dit deel van het kamp werkzaam waren, werden doodgeschoten. Daarnaast werden alle Nederlandse mannen die in het kamp als Arbeitsjuden tewerkgesteld waren vermoord, omdat volgens de nazi’s een Nederlander het brein was achter de ontsnappingspoging. Een Nederlandse man werd toen niet vermoord en dat was schilder Max van Dam. Hij moest eerst nog het portret van SS’er Karl Frenzel afmaken. Daarna is Van Dam om het leven gebracht, vermoedelijk in september 1943.  

Na de opstand in oktober 1943 gaf Heinrich Himmler, leider van de SS, de opdracht om vernietigingskamp Sobibór te ontruimen en te ontmantelen. Lager III werd direct met de grond gelijkgemaakt. Eind november werden de laatste Joden in het kamp met een nekschot vermoord. Hiermee kwam een einde aan het vernietigingskamp Sobibór.  

Nog een keer draai ik mijn hoofd naar de asheuvel met grijze lucht. Het enige geluid dat ik hoor is mijn ademhaling. De rest is al vooruitgelopen naar de bus. Ik loop langzaam terug en bekijk nog de stenen waarop de namen van mensen staan die hier in Sobibór zijn vermoord. Het pad van en naar de asheuvel is de nieuwe herdenkingslaan geworden. Een aantal stenen zijn al neergelegd met daarbij bloemen, foto’s en kaarsjes. De namen, de gezichten, hun verhalen, ik ga ze niet vergeten.  

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s