Hans Peeper: ‘Ik was een klein kind in een grote mensen oorlog’

Het is donderdagochtend 22 juli als ik aanbel bij het witte huisje van Hans Peeper die al vijftig jaar in Amstelveen woont. We hebben elkaar ontmoet toen hij een gastles gaf voor mijn opleiding, de pabo. Hij vertelde zijn verhaal over de Tweede Wereldoorlog en dat liet mij niet meer los. Hij heeft als vijfjarig jongetje gevangen gezeten in het beruchte kamp Bergen-Belsen. Na zijn gastles vroeg ik hem of het mogelijk was om elkaar te ontmoeten. Door de coronapandemie heb ik lang niet kunnen schrijven voor mijn blog, omdat het niet veilig was om deze kwetsbare groep te ontmoeten. Nu het vaccineren steeds meer op gang komt, is er meer mogelijk. Peeper stemde in met mijn interviewverzoek en nodigde mij uit om bij hem langs te komen in Amstelveen. 

Ik hoor de bel luid en duidelijk en na enkele seconden zwaait de deur open en Peeper nodigt mij uit om binnen te komen. “Wil je een kopje thee? Ik heb echt hele lekkere gemberthee. Die moet je eens proberen.” Zo gezegd, zo gedaan. Terwijl ik een kop gemberthee krijg, vertelt Peeper dat hij sinds drie jaar zijn verhaal vertelt over de Tweede Wereldoorlog. “Ik was maar een klein kind tijdens de oorlog. Ik vertel alleen dingen die ik mij echt kan herinneren. En dat is pas vanaf het einde van de oorlog en de nasleep ervan. De oorlog heeft een grote invloed op mijn leven gehad.” 

Hans Peeper werd geboren op 18 maart 1939. Hij woonde samen met zijn moeder Dora, haar officiële naam was Duifje, en vader Simon in de Waalstraat in Amsterdam. Zijn vader was een vertegenwoordiger van een knopenfabriek en moest voor zijn werk veel reizen. In zijn zakagenda schreef hij zijn reizen op. Zo ging hij onder andere naar Deventer, Utrecht, Apeldoorn en Hilversum.  

Hans Peeper met zijn ouders
De zakagenda van de vader van Peeper

Als Nederland in 1940 bezet wordt door nazi-Duitsland, zijn er zo’n 160.000 Joden in ons land. Vanaf november 1940 kwamen de bekende anti-Joodse maatregelen. Zo mochten Joden niet meer naar openbare gelegenheden, zoals parken, zwembaden en bibliotheken. Alle joodse ambtenaren werden ontslagen en vanaf 1941 moesten joodse kinderen naar aparte scholen. Het wordt voor de Joden steeds moeilijker om deel te nemen aan het ‘gewone’ leven. 

Op 3 mei 1942 voert de Duitse bezetter in Nederland de Jodenster in. Alle Joden ouder dan zes jaar mogen alleen de straat op met een gele Davidster. Hans Peeper hoefde nog geen ster te dragen, omdat hij toen drie jaar oud was. Niet lang na het invoeren van de Jodenster worden de Joden systematisch afgevoerd met treinen naar (concentratie)kampen. 

Op zondag 20 juni 1943, het was een prachtige dag in Amsterdam, moest het gezin Peeper zijn koffers pakken. Normaal schreef de vader van meneer Peeper werkafspraken in zijn agenda, nu stond er: schoentjes, kousjes en veters. Allemaal dingen die hij voor zijn gezin wilde meenemen naar de onbekende bestemming waar ze naar toe moesten. Het gezin verliet hun huis in de Waalstraat en moest de trein nemen naar een onzekere bangmakende bestemming: doorgangskamp Westerbork.  

De ‘inpaklijst’

Peeper kan zich niet veel herinneren van Westerbork. Hij was immers 4 jaar oud toen hij in het doorgangskamp terecht kwam. Het gezin mocht hun waardevolle bezittingen, zoals sierraden, niet meenemen in het kamp. Die moesten ze afgeven en kregen ze niet meer te zien.

Peeper wandelde af en toe met twee meisjes, die iets ouder waren dan hij, over het terrein van kamp Westerbork. Als ze Duitse soldaten tegenkwamen werden de meisjes altijd heel bang, omdat hij geen ster droeg. Na de oorlog heeft hij de meisjes nog een keer opgezocht. Ze konden alle drie de wandelingen nog herinneren, maar meer over de oorlog werd niet gesproken. 

Op 15 en 16 juli 1942 vertrokken de eerste gevangenen uit Westerbork met een trein naar Auschwitz. In de eerste maanden vertrok die gevreesde trein waar de mensen de bestemming niet van wisten twee keer per week: op maandag en vrijdag. Toen Peeper en zijn ouders in 1943 in Westerbork aankwamen, vertrok die trein alleen nog op dinsdag. Als klein jongetje voelde hij de angst die mensen hadden in het kamp voor de trein. “Je wilde niet op die trein. Dus het was elke keer een opluchting als je niet op de transportlijst stond.”

De tijd in Westerbork verliep redelijk rustig. “Het was namelijk de bedoeling van kampcommandant Albert Konrad Gemmeker, een soort gentleman-boef, om het wegvoeren van de gevangenen zo soepel mogelijk te laten verlopen. In het kamp was eten, amusement en je kon er sporten. En om iedereen helemaal voor de gek te houden was er zelf een ziekenhuis.” De fatsoenlijke behandeling door de nazi’s, het ziekenhuis en het vermaak hadden maar één doel: het creëren van illusies. Uiteindelijk moest bijna iedereen op transport. 

Drie dagen voor zijn vijfde verjaardag, kwam de bedreigende trein voor de familie Peeper. Op 15 maart 1944 moesten zij in de trein stappen en de eindbestemming was Bergen-Belsen. Een plaats die ongeveer zestig kilometer ten noordoosten van de stad Hannover ligt. “Dit kamp was geen vernietigingskamp, zoals Auschwitz, toch hebben de nazi’s er 70.000 mensen vermoord.” Mensen stierven aan uitputting, ziektes en honger. Aan alles was te kort in het kamp: voedsel, water en onderdak. Er waren geen gaskamers in Bergen-Belsen, omdat de massamoorden in de meer oostelijk gelegen kampen plaatsvonden. 

“Na de oorlog liep mijn vader vaak met zijn hand op zijn hoofd.”

De moeder van Peeper kwam in het vrouwenkamp. “Ik heb haar op één moment na niet meer gezien.” Zijn vader moest hard werken in het kamp en werd regelmatig geslagen door Duitse soldaten. “Na de oorlog liep hij vaak met zijn hand op zijn hoofd. Misschien had hij nog steeds pijn?” Peeper laat een stilte vallen en legt zijn hand heel even op zijn eigen hoofd. “Abel Herzberg, een gevangenge, hield een dagboek bij. Hij beschreef de straffen en de akelige sfeer in het kamp. Mensen werden met stokken of knuppels geslagen door de Duitse soldaten of kapo’s (een gevangene die als taak had op de andere gevangenen toe te zien). We kregen weinig of soms niets te eten. De lucht van koolraadsoep kan ik nog steeds niet verdragen.” 

In het kamp werden regelmatig straffen uitgedeeld. Zo moesten gevangenen twaalf uur lang naast het prikkeldraad staan of je ging voor een langere tijd in een gevangenisbunker. Ook op de appèlplaats moesten gevangenen soms uren staan. In de zomer was het daar erg heet en in de winter erg koud. “Er groeiden geen bloemetjes, geen boom en zelfs geen gras in het kamp. En hoewel het vreselijk was in Bergen-Belsen, wilde je niet doorgestuurd worden naar een ander kamp, zoals Mauthausen, want dat betekende de dood.”

Peeper werd vijf in kamp Bergen-Belsen. Hij kan zich nog de trieste kale barakken herinneren waarin stapelbedden stonden, die vaak driehoog waren. “Het was er vies en koud. Een kapo gaf mij af en toe een stukje brood dat ik vervolgens met mijn vader deelde. Daarnaast herinner ik mij nog vaag dat ik veel in mijn eentje over het kampterrein zwierf.” Het luchtalarm ging geregeld af en een keer kwam er een vliegtuig laag over het kamp vliegen. “Ik heb mij toen lang verstopt in een ondiepe sloot.”

“Ik vind het verschrikkelijk dat ik verder geen enkele herinnering meer aan mijn moeder heb. Hoe ze was toen ze nog leefde.”

Op zondag 28 januari 1945, nog geen drie maanden voor de bevrijding, stierf de moeder van Peeper. “Ik weet niet hoe, maar er waren mensen die mij naar de vrouwenbarak brachten. Ik had mijn moeder niet meer gezien sinds we aankwamen in Bergen-Belsen. Ze lag in het onderste stapelbed met een bord met wat eten naast haar. Waarschijnlijk was ze al dood. Dat moment, in de verder lege barak, zie ik nog elke dag voor mij. Ik vind het verschrikkelijk dat ik verder geen enkele herinnering meer aan haar heb. Hoe ze was toen ze nog leefde.” Waarschijnlijk is de moeder van Peeper gestorven als gevolg van uitputting, ondervoeding en ziekte. 

De vader van Peeper raakte door het verdriet van het overlijden van zijn vrouw in de war. ‘’Hij haalde alles door elkaar, hij riep steeds maar de plaatsnamen van de steden die hij voor de oorlog had bezocht. Alsof hij een conducteur van een trein was.” De rollen van vader-kind werden omgedraaid. Hij probeerde goed voor zijn vader te zorgen, maar hij ging steeds verder achteruit. Zijn vader werd overgeplaatst naar de ziekenbarak. Peeper mocht bij zijn vader blijven in de ziekenbarak. Als ik hem vraag hoe het was in de ziekenbarak, blijft het even stil. “Ik kan de periode dat mijn vader in de ziekenbarak lag niet zo helder voor de geest halen. Misschien heb ik het verdrongen en ik wil er ook niet graag over praten. Ik weet nog heel goed dat de sfeer heel naar was. Er stierven mensen en die lichamen… Nee, ik kan er niet over praten.”

Naast zijn vader lagen er meer mensen in de ziekenbarak. Een daarvan was Sam Emanuel, een jongen van 18 jaar die heel ziek en zwak was. Hij overleefde uiteindelijk Bergen-Belsen en schreef een brief aan zijn broer vanuit het ziekenhuis in Nijmegen, waarin hij vertelde over de laatste dagen in het kamp. 61 jaar na de oorlog zocht Sam Emanuel contact met Peeper. Bij hun ontmoeting liet hij de brief zien die hij aan zijn broer had geschreven:

Een stukje van de brief van Sam Emanuel aan zijn broer

“Ik vertel dit wonderlijke verhaal altijd aan kinderen om te laten zien hoe je een grote steun voor je medemens kan zijn door gewoon een beetje aardig te zijn. Om iemand weer een beetje hoop in het leven te geven. Sam Emanuel zei tegen mij dat de bezoeken van mij, ‘Hansje’, kleine daden waren met grote gevolgen.

Ook Peeper en zijn vader overleven de oorlog. “Ik denk dat het verblijf in de ziekenbarak waarschijnlijk onze redding is geweest. De Duitsers hebben namelijk tegen het einde van de oorlog een trein met overlevenden uit Bergen-Belsen veertien dagen lang door Duitsland laten rijden. Er was een ton als toilet en een ton met water in elke wagon. Onderweg en in de eerste weken na aankomst in Tröbitz zouden van de 2.500 inzittenden er ongeveer 500 omkomen, velen als gevolg van tyfus. Deze trein werd na de oorlog vaak het verloren transport genoemd.

“Ik stond voor een stapelbed waar een naambord van karton aanhing. Ik deed een stapje opzij en het volgende moment zat er een kogelgat in dat bord.”

De bevrijding van Bergen-Belsen, op 15 april 1945, door de Engelsen kan Peeper zich nog heel goed herinneren. “Vanaf de wachttoren werd er nog door een Duitse soldaat brutaal omgeroepen dat we naar onze barakken moesten. Er werd veel geschoten. Ik stond voor een stapelbed waar een naambord van karton aanhing. Ik deed een stapje opzij en het volgende moment zat er een kogelgat in dat bord.” Toen de Engelse legertanks het kamp binnenreden, waren de meeste overlevenden te ziek en te zwak om te beseffen dat ze waren bevrijd. 

De Britten vonden bij de bevrijding van het kamp meer dan 10.000 lichamen. Volgens de Britse soldaten was de stank zo erg dat het te ruiken was tot in de hemel. De Britten vonden massagraven en waren bijzonder geschokt. De werkelijke details waren nog gruwelijker, want tegen het einde van de oorlog werden mensen niet meer echt begraven. “Mijn moeder ligt in zo’n massagraf begraven, naamloos.” 

Na de bevrijding brandden de Britten de barakken af om verdere verspreiding van ziektes, zoals tyfus en difterie te voorkomen. “Het werd met de grond gelijk gemaakt en afgebrand.”

Na de oorlog

Na de bevrijding werden Peeper en zijn vader door Amerikaanse of Canadese soldaten met een vliegtuig naar een Duits ziekenhuis gebracht. “Terwijl mijn vader doodziek in het ziekenhuis lag, mocht ik met soldaten een paar keer mee op de legertrucks.” Na een paar maanden werden Peeper en zijn vader overgeplaatst naar Eindhoven. Hij kwam bij de familie Spies. De vader van het gezin was een ingenieur bij Philips. “De familie was erg aardig en iedereen deed zijn best om mij op te voeden, want daar was niet veel van terecht gekomen.” Zo leerde hij hoe hij bestek moest vasthouden en dat hij zijn hand op tafel moest laten liggen, terwijl hij at. Peeper ging iedere dag bij zijn vader op bezoek in het ziekenhuis. In dezelfde kamer lag een doodzieke man die in Auschwitz gevangen had gezeten. Hij werd vaak bezocht door zijn nicht Betsie Waterman. Waterman raakte door haar bezoekjes aan het ziekenhuis bevriend met de vader van Peeper. Het duurde bijna een jaar voordat de vader van Peeper enigszins hersteld was. Hij hield een zieke nier aan de oorlog over. “Na ons verblijf in Eindhoven van een jaar, zijn we opgevangen door het gezin van mijn vaders broer in Breukelen. Ik vond het jammer om weg te gaan bij de familie Spies. Ik heb daarna nooit meer contact met de familie gehad en dat vind ik jammer.”

De vader van Peeper verlooft zich met Betsie Waterman en ze verhuisden begin 1947 terug naar de Waalstraat in Amsterdam. “Mijn geboortehuis werd bewoond door andere mensen, maar wij konden gelukkig in het huis daarnaast wonen. De ontvangst in Nederland was koud en kil. Sommige mensen hadden gehoopt dat de Joden niet meer terugkeerden, want dan hoefden ze de waardevolle spullen (die ze soms gestolen hadden) niet meer terug te geven. Ook mijn vader heeft van zijn bezittingen bijna niets teruggekregen.”

Peeper met zijn vader terug in de Waalstraat

Peeper gaat weer naar school in Amsterdam, maar hij kan moeilijk meekomen. “Ik was vaak moe en na veel doktersbezoeken, bleek dat ik TBC (besmettelijke bacteriële infectieziekte) had. Een gevolg van mijn verblijf in een concentratiekamp.” Destijds moest TBC genezen door absolute rust. Zo moest hij eerst negen maanden thuis op bed liggen en daarna ongeveer negen maanden in het Amsterdams kindersanatorium in Blaricum. “In het sanatorium lag ik met veel andere kinderen. Er was daar een streng regime en we kregen soms nare onderzoeken. Het was geen prettige tijd. Je moest de hele tijd in je bed blijven, maar wij waren een beetje rebels. Er waren namelijk bedden met spijlen en daar ging je dan met je tenen in hangen om toch een beetje te bewegen.”

Peeper in het Amsterdams kindersanatorium in Blaricum

Peeper had het gevoel dat hij leefde in een soort schijnwereldje, omdat hij niet de dingen kon doen die zijn leeftijdsgenootjes deden. “Het echte leven ging aan mij voorbij. Ik mocht wel bij vriendjes achterop zitten, maar ik mocht niet fietsen, hardlopen of zwemmen. Na die 18 maanden mocht ik wel lopen, dat was de enige lichamelijke inspanning die ik wel mocht doen.”

Zijn vader en stiefmoeder verhuisden naar Zwolle toen Peeper uit het sanatorium kwam. Hij maakte zijn lagere school af in Zwolle. Op zijn negentiende ging hij aan het werk. Met zijn vader kon hij niet over de oorlog praten en ook niet over zijn moeder. “Ik vroeg het hem wel eens, vertel eens wat over mijn eigen moeder. Maar hij kon het niet en wilde het ook niet. Hij vond het te moeilijk om over de verschrikkingen van het kamp en het verlies van zijn vrouw te praten. Niemand kon mij iets vertellen over de familie van mijn moeder. Die waren allemaal vermoord in de oorlog.”

Als zijn vader overlijdt, vindt Peeper de zakagenda van zijn vader en een fotoboek van de familie van zijn moeder. “De agenda van mijn vader eindigde bij het verlaten van het concentratiekamp in Bergen-Belsen. Op de laatste bladzijde staan de namen van familieleden met een groot kruis. Mijn opa’s, oma’s, tantes en ooms en bijna alle nichtjes en neefjes hebben de oorlog niet overleefd. Ze kwamen om in één van de andere kampen waar miljoenen Joden werden vermoord.” 

De laatste bladzijde van de zakagenda van Peepers vader
Peeper met het fotoboek van zijn moeder en de zakagenda van zijn vader

Twee keer heeft Peeper Bergen-Belsen nog bezocht, rond 1970 en in 2006. Het kamp ligt op de Lüneburger Heide. “Het is een prachtig natuurgebied. En die mooie natuur is een grote tegenstelling met de lelijke geschiedenis. Om daar te lopen is best beladen.” Tegenwoordig zijn op het terrein van het voormalige kamp Bergen-Belsen een bezoekers- en een studiecentrum gevestigd. Je vindt er verschillende herdenkingsmonumenten, zoals het grafmonument van Anne Frank en haar zus Margot. Zij stierven in Bergen-Belsen in februari 1945. “Het is goed dat ik er zo’n vijftien jaar geleden nog ben geweest. Het voelt nu alsof ik mijn moeder daar officieel heb begraven.” In de Waalstraat ligt er voor het geboortehuis van meneer Peeper een struikelsteen voor zijn moeder. 

“Ondanks dat ik nog dagelijks aan de oorlog denk, heb ik een goed leven gehad met lieve mensen om mij heen. Mijn vader zei altijd niet achteromkijken, maar vooruitkijken. En dat heb ik ook gedaan.” Peeper vertelt zijn verhaal over de oorlog aan kinderen en aan volwassen. Tegen kinderen zegt hij altijd: “Wees ervan bewust dat je geen domme vooroordelen hebt naar andere mensen. Beoordeel de mensen hoe ze tegenover de samenleving staan en hoe ze zich tegenover jou gedragen. Denk goed na, wees vooral heel kritisch, maar ook verdraagzaam.’

“Wees ervan bewust dat je geen domme vooroordelen hebt naar andere mensen.”

2 gedachtes over “Hans Peeper: ‘Ik was een klein kind in een grote mensen oorlog’

  1. Beste Iris,

    Hoe wonderlijk is de wereld, vooral omdat ik heel goed omga met Louk de Liever, die al veel keer zijn verhaal verteld heeft en nog steeds doet over zijn kindertijd in kamp Westerbork en Bergen Belsen. Hij had dezelfde leeftijd en waarschijnlijk kennen zij elkaar bij jaarlijkse bijeenkomsten. Zij gingen met het kindertransport op weg naar Auschwitz maar konden door de verwoestte spoorrails niet verder en belandde in Bergen Bergen. Exact hetzelfde verhaal, toen hij hersteld van de oorlog, onhandelbaar was geworden. Dat heeft zijn ouders veel moeite gekost. Ik zal jouw verhaal aan hem doorsturen. Wellicht reageert hij daarop. Bovendien jouw website voor nog meer gruwelijke verhalen in de kampen tijdens de oorlog. Bedankt voor het doorsturen en ben nog verrast door jouw drang om met die gruwelijk- heden nog steeds aan het licht te brengen. Deze tijd, waarin wij ook bedwelmd worden door media, de regering en de elite van de wereld. In 1933 en later hebben de nazi’s alle huizen in Duitsland voorzien van een radio, om de campagne aan de gang te houden om hun verschrikkelijke bewind van de nazi’s voortdurend de mensen te indoctrineren met alle gevolgen daarna. Ik houd mijn hart vast, waartoe zal dit systeem ons brengen. ?

    Met vriendelijke groet,

    Klaas Kwakman

    >

    Like

  2. Dear Iris: Thank you for reminding the younger generations how awful WWII was and how terrible the Jews and also other persons were treated. My dad was in Kamp Erika and also Kamp Vught. The current situation in Afghanistan is a sad example of cruel war is. Greetings from an old Tukker uit Wierden and now since 1964 in USA. Jan G. SchipperGreenville, SCAugust 16, 2021dschip54@aol.com

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s